La vache qui rit

De lachende koe. Wie heeft het uitgevonden en waar halen ze het? Ik heb het eens opgezocht. Je leest het hier.

Het moet deze week precies éénendertig jaar geleden zijn dat ik nog zo tussen de koeien zat. Ik was elf jaar in 1986 bij de kernramp in Tsjernobyl en op vakantie bij familie met een melkveebedrijf. Ze luisterden aandachtig naar het weerbericht van Armand Pien om te beslissen of de beesten buiten mochten of op stal moesten blijven. Volksgezondheid was toen al een ernstige zaak en de melk werd grondig gecontroleerd. De boerderijen zijn ondertussen overgenomen door de kinderen en stuk voor stuk grote en hypermoderne bedrijven. 

Hier in Galicië loop ik nog eens terug tussen de koeien. De tijd lijkt hier echt te hebben stilgestaan. Ze boeren hier niet zoals in mijn kindertijd maar die van mijn ouders of nog vroeger. Je ziet hier veel kleine boeren met oude stallen. Ze wonen vaak boven de stal en tussen de koeienstront. 

Ik heb veel bewondering voor de boerenstiel. Je moet hard werken, bent afhankelijk van allerlei factoren en hebt weinig of geen vakantie. Een landbouwer kan zeker geen zes weken uit trekken om naar Santiago de Compostela te stappen. Wat ik vooral moeilijk zou vinden in het vak, is dat koeien nooit lachen. Hoe weet je nu dat ze zich goed voelen? Ik vind het echt heel goed gevonden. La vache qui rit.  

IMG_20170428_132703_01-1

Advertenties

Hello Kitty

Het moet een week geleden zijn dat ik Kitty en Bert nog heb gezien. Sindsdien heb ik ook Tedu en Han (Zuid-Korea) niet meer gezien. Steffen en Torsten (Duitsland) heb ik wel nog gezien. Juan (Mexico) en Anders (Denemarken) ook. Jean-Pierre (Frankrijk) ben ik even kwijt. Hetzelfde met Sally (Nieuw-Zeeland), Ilota (Letland), Prescilla (Brazilië), Amanda (USA) en Eva (Zwitserland). Alain (Frankrijk) en Sue (Engeland) zijn naar huis. Kim (USA) ligt voor. Jacqui (Engeland) en Rosie (Duitsland) lopen achter. We houden contact via sociale media.

Maandag kwam ik nog een opschrift tegen op de weg. Een aanmoediging voor Kitty. Het had niets te maken met de Kitty die ik ken maar het deed me wel aan haar denken.

kitty

Kitty en Bert zijn een stel uit Nederland en de laatsten waarmee ik op de Camino Nederlands sprak. Ik heb nog maar vijf Belgen ontmoet. Een Australiër telde al meer dan 40 nationaliteiten. Uiteraard houden de autoriteiten ook statistieken bij. Het aantal Duitsers en Amerikanen is het meest opvallend. Voor Duitsland heeft het boek “Ik ben er even niet” van Hape Kerkeling een rol gespeeld. In Amerika is de film “The Way” met Martin Sheen erg populair. De jonge Amerikanen vertellen thuis niet dat ze in Saint-Jean-Pied-de-Port vertrekken. De film begint met een ongeval in de Pyreneeën. De aanleiding voor een vader om de Camino van zijn verongelukte zoon af te maken.

Ik vraag niet aan iedereen vanwaar hij of zij is. Soms vermijd ik het zelfs. Gisteren heb ik in een heel mooie zaak geluncht​. Het decor leek op een bladzijde uit een woonmagazine. De uitbaatster zag er Nederlands uit; blond, groot en knap. Precies mijn schoonzusje. We spraken Spaans en ze vroeg niets. Bert en Kitty zijn er ook geweest en vertelden me dat ze Nederlandse was en dat haar zaak drie jaar geleden is geopend.

Vandaag heb ik Kitty en Bert terug gezien. Het was een bijzonder fijn weerzien. We hebben samen gegeten en nog een fles wijn gedronken. Het is plezant om overdag alleen te wandelen en ’s avonds in goed gezelschap te vertoeven. Ik ben heel benieuwd of en wanneer we elkaar terug zullen zien.

IMG_20170426_213334


Op het dak van de wereld

Terwijl mijn batterijen meer en beter worden opgeladen, gaan die van mijn smartphone steeds sneller af.

We hebben met ons gezin de Ben Nevis in Schotland eens beklommen. Na een beklimming tot 1345 meter stonden we op de top. Met onze voeten in de sneeuw, ons hoofd in de mist en onze kleren nat van de regen. Precies op het moment dat we als trofee een familieselfie wilden nemen, was de batterij plat.

Vandaag was het weer van dat. Het eigenlijke plan was te stoppen in La Faba maar het ging goed en ik wilde verder. Na Foncebadón (1439m), Manjarín (1458m) en Cruz de Ferro (1531m) was O Cebreiro (1306m) het hoogste punt van de Camino. Je kan er overnachten en dat zag ik wel zitten. Boven in een stapelbed slapen op het dak van de wereld. Ik hoopte er goed te slapen en tegelijk de batterij van mijn smartphone op te laden.

Weet iemand hoe je de batterijen uit een snurker haalt?

Een andere weg

Na drie weken pijltjes volgen, vond ik het gisteren welletjes. Ik kocht Compostela sokken mét pijltjes en zei tegen mijn voeten dat ze het eens alleen mochten proberen. Ik volg wel.

Dat gaat goed. Ik merk dat we niet door maar rond Ponferrada stappen maar dat is geen probleem. Ik leer loslaten. Ik heb vertrouwen en geniet van het mooie landschap. Rond de middag stopt een jogger die uitvoerig  uitleg geeft. Hier moet ik even overnemen. Ik zeg dat ik maar een beetje Spaans spreek en vraag of hij alstublieft langzamer kan praten. Hij blijft als een gek door razen. Drie keer vraag ik trager te spreken maar hij gaat alleen harder en hijgt bovendien zijn hart uit zijn sportlijf. Hij stuurt me terug en over de brug. Ik overtuig mijn voeten even naar hem te luisteren en we doen wat hij zegt. Hij maakt rondjes en duikt geregeld terug op om commentaar te geven. Hij gebruikt ons als referentiepunt voor zijn intervaltraining. Achter de brug aan de overkant, volgt de grote verdwijntruk. Hij is nergens meer te zien. Wat nu? Van hier heb ik geen enkel aanknopingspunt. Daarnet had ik nog de pijlen. Ik besluit terug te keren en de pijlen toch te blijven volgen. Mijn voeten mogen terug overnemen.

Na een tussenstop bij een café, praat ik nog met een oude vrouw. Ze wenst me een goede Camino. Ik loop tussen fruitbomen en wijnvelden.

Ik klim en lijk verder weg van alles te lopen. Ik zie geen mensen, geen bars, geen herbergen, niets. Rond deze tijd ben ik meestal klaar maar nu lijkt de bewoonde wereld verder weg dan ooit. De Caminotekens zijn er nog steeds. Ik maak er foto’s van.

Na een tijd heb ik echt wel in de gaten dat ik niet juist zit. Ik laat mijn voeten weten dat we nog een half uur proberen. Als er dan geen teken van leven is,  gaan we helemaal terug.

Plots zie ik enkele vervallen huizen en ook twee auto’s die nog moeten rijden. Kippen en poezen. Hier moet toch volk wonen? Ik klop aan maar niemand doet open. Plots staat een grote hond dreigend te blaffen. Die is geen wandelaars gewoon en ook niet van plan ons te laten passeren. Ik deins terug en begin te roepen. “Hola! Hola!”. Een oude dame steekt haar hoofd uit het raam. “Pardon, ik denk dat ik ben verdwaald”, zeg ik. “Kan ik hier ergens een herberg of hotel vinden?” Ze weet van niets. Ik had mijn matras beter niet terug naar huis gestuurd. Er komt een man naast haar staan. Die zegt dat ik best nog veertig minuten blijf stappen. Dan kom ik aan een kasteel. Ik zet verder. Het kasteel blijkt een ruïne. Op de parking staan auto’s. Ik spreek een jong koppel aan. Samen met Piedro en Angela bezoek ik het kasteel.

Ze brengen me naar Ponferrada. Ik neem een hotelkamer tussen het Castillo del Temple en de klokkentoren Torre del Reloy. Als ik mijn nieuwe sokken heb gewassen, trakteer ik mezelf op een gin-tonic en geniet na van mijn avontuur.

Het was een andere weg, maar ook een mooie.

schoenen

Iets

Na twee weken op de Camino gebeurt er iets, heeft iemand me gezegd. Ik ben graag goed voorbereid en begon onmiddellijk een plan uit te werken. Ik had zeker mee wat ik nodig had en stuurde de dingen terug die ik niet zou nodig hebben. Uit voorzorg heb ik alles nog beter vastgemaakt en ingesmeerd dan voorheen. 

Er moet altijd iets gebeuren voor er iets gebeurt en dus was ik op mijn hoede. 

Gebeurt het als je alleen bent? Dan had het woensdag kunnen gebeuren. Ik had de goede raad van Jean-Pierre en Alain opgevolgd en de eerste herberg van het dorp gekozen om te overnachten. Hotel met zwembad, restaurant en herberg in één. Het zwembad bleek een modderbad. Het restaurant serveerde alleen diepvriespizza. En de herberg lag verscholen achter het laatste berghok. Ik was er helemaal alleen en zag een beetje op tegen de nacht maar mijn Franse kameraden kwamen me halen. Er kon niets gebeuren. 

In een grote stad misschien? Voorbij León was de herberg, waar ik naartoe wilde, gesloten. De volgende was een heel eind verder en moeilijk te vinden. Ineens stond ik in mijn korte broek te midden van een knooppunt van viervaksbanen naast de autostrade en kon ik de weg niet vinden. Gelukkig dacht ik toen aan wat de bazin van Femma had gezegd en de girlpower deed de rest.

Op het platte land dan? Ik heb al een paar keer tussen koeien gelopen zonder zeker te zijn of de stier niet thuis was. Wat als de honden toch niet zo lui zijn als ze lijken? Wat als die boer met zijn schop me niet had beschermd tegen die slang? Het grote iets bleef uit. 

De Camino geeft je wat je nodig hebt en ik heb al alles gekregen wat ik nodig had. Dat is niet zomaar iets. Dat is veel, heel veel. En ik ben nog maar half weg. 

hotel

Life is music

Alleen de Camino stappen had als muziek in mijn oren geklonken. Vrij zijn, buiten leven, kilometers malen, de natuur bewonderen, de wind en de zon voelen. Was is er plezanter dan dat?

Ik ben geen voorstander van muziek beluisteren met oortjes of een koptelefoon. Ik vind het gevaarlijk als je onderweg bent. Je hoort minder wat rondom je gebeurt. Onze middelste kwam ik eens per fiets tegen toen hij naar de voetbalclub ging. Hij zat recht op een retro koersfiets, sporttas nonchalant om de schouder, handen in de zakken en oortjes in de oren. In mijn hoofd waren zijn ogen ook gesloten maar laat ons aannemen dat dat overdreven is. Ik gebaarde “handjes aan het stuur”. Hij legde één hand losjes op het platte deel van het koersstuur en als ik voorbij was, deed hij gewoon verder waarmee hij bezig was. Genieten heb ik hem niet moeten leren. Dat heeft hij zichzelf geleerd.

Geen oortjes of koptelefoon gebruiken, is dan weer storend voor de omgeving. Dat doe je dus ook niet. Ik nam voor mijn Camino toch maar een iPod met oortjes mee voor de saaie of lastige stukken. Het zijn immers niet altijd prachtige vergezichten en mooie velden waar je doorheen loopt. Je moet ook weleens langs een luchthaven of door een industrieterrein. Ik heb mijn oortjes al gebruikt. Ik moet toegeven dat het zalig stappen is. Ik geraak ervan in het  juiste ritme en word er goed gezind van. Regelmatig kijk ik rond en als ik echt in niemandsland ben, zing en dans ik erbij.  Mijn danspasjes zijn natuurlijk niet erg sexy met vijftien kilogram op mijn rug maar ik kan het niet helpen. Als iemand me toch ziet, doe ik zoals mijn zoon en blijf ik genieten.

IMG_20170414_121615

Should I Stay or Should I Go

Ik stel me die vraag hier elke dag. Daarbij clasht het nummer van de The Clash luid uit de boxen in mijn hoofd. Het is de enige vraag die ik me iedere dag moet stellen dus dat valt nogal mee.

Ik was vooraf te rade gegaan bij het Compostelagenootschap in Mechelen. Je kan er elke zaterdag praten met mensen die al naar Santiago de Compostela zijn gestapt en dat is bijzonder leerrijk. Ik luisterde naar enthousiaste verhalen maar had ook oog voor een iets stillere man verscholen achter een laptop. Hij had de Camino al twaalf keer gestapt en behoorlijk wat data verzameld. Ik keek eens diep in zijn ogen en even later stuurde hij me een tabel met plaatsen, kilometers, herbergen, faciliteiten en beoordelingen.

Ik reserveerde de eerste overnachting in Saint-Jean-Pied-de-Port. De tweede nacht kon ik niet anders dan in Roncesvalles blijven na 31 kilometer lopen in de gietende regen. Sindsdien laat ik het plannen min of meer los en ga ik op mijn gevoel af. En iedere keer hoor ik hetzelfde liedje: Should I Stay or Should I Go now.

Ik geef echt de voorkeur aan kleine authentieke plaatsen en herbergen met voldoende ruimte en lucht. Het is ook fijn vertoeven waar Spanjaarden koken en je met mensen van over heel de wereld aan tafel zit. Soms blijf ik lopen om niet in een grote stad te moeten overnachten.

Als Han (de Zuid-Koreaanse Jani) vertelt over een nacht met veel volk en weinig lucht, weet ik dat ik weer goed zat in een kamer met drie bedden voor mij alleen. Enkele nachten geleden lagen we allebei boven nogal luidruchtige dames. In elke reisgids staat dat je best geen plastic zakjes mee neemt vanwege het geritsel. Zij hadden een heel jaar plastic zakjes gespaard en hun rugzakken staken boordevol. De plastic zakjes fanfare werd ook nog eens afgewisseld met een concert van een apparaat tegen slaapapneu. Ik had het nooit eerder gezien of gehoord maar ik denk dat ik juist zit. Ik bewonder haar trouwens voor het mee sleuren van nog eens vier en een halve kilo.

Mijn gevoel heeft me nog niet veel in de steek gelaten dus ik vertrouw er maar op. Blijven of doorgaan? Ik volg mijn gevoel.

 

Trager haasten

Je kan het meisje uit het werk halen, maar het werk niet uit het meisje. De eerste werkdag van mijn Camino, kon ik het niet laten nog even een boodschap door te sturen naar mijn baas. Ik kreeg een e-mail met veel uitroeptekens terug. Ook goed, dacht ik. Het is wel iets dat ik graag heb opgelost voor ik terug keer.

Ik ben nogal voor efficiëntie. Ook hier. Ik vertrek als laatste. Ik heb echt geen zin om in het donker te lopen. Ik kom bij de eersten aan. Ik vind het heerlijk om fris gewassen een boek te lezen terwijl mijn kleren in de zon drogen.

Ik moet met niemand rekening houden. Een Nederlander had me toevertrouwd geregeld om te kijken en dat doe ik. Ik stap graag goed door. Zo goed dat ik al een wijnfontein miste. Jammer. Mijn camelbak was immers leeg en ik had dorst. Mijn buurman tipte een goede bar in Estelle toen ik daar al voorbij was. Ook spijtig. Een Duitse knaap vroeg waar ik heen wilde. Naar Compostela natuurlijk. “Ik heb zes weken maar ik wil zó graag door naar Fenesterre”. Hij bekeek me eens goed en zei: “Dat zal wel lukken. Je bent snel. Straks kan je nog een week op het strand liggen en ik weet niet of dat iets is voor jou”. Lap nog iemand die me door heeft. Ik moet aan de Hollandse van op het vliegtuig denken. Je bent wie je bent. Juist. Een luie mie zal ik nooit worden.

De eerste week is bijzonder goed meegevallen. Dit kan ik zeker nog vijf weken volhouden. Ik heb voorsprong op het schema en kan me vanaf nu trager haasten.

 

Give me a break!

21 jaar geleden behaalde ik een Bachelor in Sociaal Werk. In dat werk, heb ik ondertussen behoorlijk kunnen oefenen. Je zou mogen veronderstellen dat ik competenties heb verworven op het vlak van luisterbereidheid, contactvaardigheid en empatisch vermogen. Toch heb ik er enorm naar uitgekeken even alleen te zijn. Ik trok de deur van het werk achter me dicht en dacht liefdevol-kritisch “Ik doe het heel graag maar rot nu even allemaal op.” Ik zei thuis slikkend en knipperend “liefhebben is loslaten” en vertrok.

In het vliegtuig was er al een Hollandse dame die onmiddellijk haar hele leven vertelde aan haar Poolse buurvrouw en omgekeerd. “Je bent wie je bent” hoorde ik haar toeteren. Oh, god nee! Toch niet hier en nu? Naast mij zat gelukkig een stille Spanjaard. Even later in de bus was het een Engelse. Ze had de Camino al several times gelopen en moest die  nodig allemaal even overlopen. Jezus zeg! Gaat het een beetje? Bij mijn aankomst in Saint-Jean-Pied-de-Port, kwam ik als laatste in de herberg binnen. Ik kreeg een glas porto in mijn handen en de laatste lege stoel in de kring. Er werd een onzichtbare bal naar me gegooid en ik moest antwoorden op de vragen 1) what’s your name 2) where are you from 3) why are you walking the Camino. Oh please, give me a break! Ik wil gewoon een pauze en als het kan ook wat avontuur. Mag het? Bazin Maria bedoelde het goed. Maar die bal was er te veel aan. Pas op, ik durf die methodiek in mijn werk ook gebruiken maar ik doe het tenminste met een echte bal. Er was spraakwater genoeg om een hele avond te kletsen terwijl ik eigenlijk wilde zwijgen.

Morgen misschien? Van de regen worden de meeste mensen stiller. Het was een stevige eerste dag en ik liep eindelijk (!) alleen. Bij aankomst was het oorverdovend stil. Yes, dacht ik. Volgens kenners is het nervositeit en zal het babbelen minderen naarmate je verder geraakt. Het is zoals met foto’s nemen. De eerste dagen neem ik er meer dan mijn Journi-account aankan maar het is sterker dan mezelf. Na een paar dagen gaat het beter.  Ik heb nu vier dagen alleen gestapt en als ik wil babbelen kan het.

That’s what I call a break!